De volgende dag reed ik in mijn omvangrijke gezinswagen terug naar mijn huis waar ik met mijn gezin ten opzichte van de Schenderling-norm (15m2 per persoon) ongeveer 10m2 per persoon teveel ruimte inneem. Toen ik in het nagesprek met Schenderling begon over de armoedegelofte in de kloosters en de mogelijke doorwerking daarvan in Luthers opvattingen over armoede en predikers, begonnen zijn ogen dusdanig te glanzen, dat een pamflet ten nadele van de materiele regelingen op de mat van de predikantenvereniging niet uit te sluiten valt.
Zijn wij als predikanten luxepaardjes geworden? Die met energieverslindende en klimaatverwoestende fancy AI-bijbelsoftware verleerd zijn om afstand te doen van? Wij hebben alles achter ons gelaten en wij zijn U gevolgd, behalve…
Wat mij zeer doet als ik weer eens verkas, zijn niet de verkochte ‘huizen en de akkers’, wel de stervenden en de scheidenden en de verweesden, die ik cold turkey achterlaat omdat er weer een nieuwe populatie zieken en eenzamen en ontwortelden een beroep op me doet. Je
kunt niet vastzitten aan mensen, aan je gemeente, maar dat zit ik wel. Als de arm geworden Heer roept: ‘volg mij, nu daarheen’, dan moet de hele schatkamer aan verworven vertrouwen prijsgegeven. Hijzelf is hun rijkdom. Dat is precies wat ik beoogde te verkondigen, maar kwam in die
verkondiging mijn ego niet mee?
Die ontlediging, hoe minimaal ook, is even hard als heilzaam. Mijn geestelijke schatten raken mijn ego veel dieper dan de aardse. Als ik die niet kan inleveren bij de Heer van de kerk, dan bouw ik toch mijn eigen koninkrijk.



