Maar de natuur heeft inderdaad verschillende kanten. Als je zoals ik bent opgegroeid in een dorp aan het IJsselmeer, leef je dicht bij het water én bij de verhalen van de vissers. Zij kennen de schoonheid, het majestueuze van de zee, maar ook de enorme kracht van water en wind waar je als nietig mens, als het erop aankomt, niet tegen bent opgewassen. Op het vissersmonument getuigt een hartverscheurend aantal namen van vaders, echtgenoten, zoons en broers die nooit zijn teruggekomen.
Urker vissers weten zich afhankelijk van God en daarom gaat de Bijbel mee aan boord en vouwen ze hun handen voordat de trossen losgaan.
Op de Veluwe, waar ik nu woon, laat de natuur zich weer anders kennen. Met hoge bomen, gekwetter van vogels en een uitbundige hoeveelheid bloemen en struiken alleen al in onze straat. Het nodigt uit om mussen en bijen te lokken en takkenbosjes voor egels neer te leggen. In de winter doet de treuriep in de achtertuin zijn naam eer aan, maar ik weet nu al dat er over twee maanden weer een majestueuze metamorfose heeft plaatsgevonden. Het is Gods voorzienigheid, in steeds schriller contrast met het lelijke in deze wereld.
Onder de indruk
Een tijdje terug maakten we een natuurreis naar Tanzania. Op een namiddag reden we over een vlakte. De zon stond laag, een kudde gnoes trok voorbij, op een rots lag een leeuw lui te gapen en vlak voor ons zweefden drie giraffes over de weg, terwijl verderop antilopen graasden. Het tafereel was zo vredig dat het deed denken aan de nieuwe aarde. Het was werkelijk prachtig! Nog diep onder de indruk zaten we even later aan tafel. Een van onze reisgenoten zei: ‘Zal ik voorgaan?’ Midden in de eetzaal vouwden wij onze handen en dankte dit schepsel zijn God.
Dat vind ik nog het allermooist. Dat álles wat God geschapen heeft je hoe dan ook een kant op wijst. Naar Hem.



