Je zult deze brief maar op de deurmat krijgen. Hij zal maar op je kerkenraadstafel liggen. Of op de gemeentevergadering. Welke hermeneutische kunstgrepen moet je uithalen om de explosiviteit van dit schrijven te neutraliseren? Hoeveel zalfolie is er nodig om het Godsbeeld weer zo te domesticeren dat genade, liefde en vrede de boventoon voeren en de ‘scherpe randjes’ onder een donslaagje verdwenen zijn? Zachte krachten gezocht! ‘Hoe gaat voor Judas die overvloedige barmhartigheid samen met het ‘wee hun’?’
De lading ontharden
Dit briefje is geschreven in een andere cultuur, in een andere tijd. De context moet je meewegen. En zo mag de schriftuitlegger als een mijnenveger de ‘lading’ ontladen. Zodat de geruststellende slotsom zal zijn: dit gaat hoe dan ook, sowieso niet over ons. Vervolgens kunnen wij opgelucht en dankbaar constateren dat de brief om culturele en contextuele redenen onontvankelijk is verklaard. Maar dat ieder ter inspiratie de liefdevolle gedeeltes ter versterking van het geloof hartelijk mag aanvaarden en tot zich nemen. Het vreemde is dat de scherpe, indringende waarschuwing, die Judas aan ‘allen die geroepen zijn’ afvuurt, binnen de haken van overvloedige liefde en barmhartigheid staat. Kennelijk is voor hemzelf overvloedige liefde en nadrukkelijke waarschuwing op een of andere wijze verweven. Daar ligt wellicht ook de uitdaging voor wie de brief nu leest: hoe? Hoe gaat voor Judas die overvloedige barmhartigheid samen met het ‘wee hun’? En daarachter schuilt de vraag hoe oefent zo’n brief, niet gedeeltelijk, maar in zijn hele strekking, gezag uit over moderne 21-eeuwse christenen die het aanvaarden als volwaardig onderdeel van Gods Woord?



